Indische familiegeschiedenis

Veel Nederlanders hebben een Indische familiegeschiedenis. Hun voorouders werkten bijvoorbeeld in de Nederlandse kolonie en stichtten daar een gezin. Het onderzoeken van dat Indische verleden is vaak een uitdagende bezigheid. Administratieve sporen zijn niet altijd nagelaten, bronnen zijn vaak niet bewaard gebleven of ze zijn slecht toegankelijk. Bovendien heb je enige kennis nodig van de geschiedenis van de Europese aanwezigheid in ‘de Oost’ en van de maatschappelijke verhoudingen in de Indische samenleving.

Toch is er nog veel terug te vinden. Conrad Gietman, tot voor kort redacteur bij het CBG, geeft een inleiding op het onderzoek naar je Indische stamboom. Hij onderscheidt zeven stappen die je kunt volgen zodat je onderzoek een zekere systematiek houdt. Daarbij komen de historische en maatschappelijke achtergrond van de relaties tussen Europa en Azië uitgebreid aan de orde.

Nederlandse aanwezigheid in Indië

Tussen mensen uit Nederland en Indië bestaan al sinds ongeveer 1600 familierelaties. In de zeventiende en achttiende eeuw reisden ongeveer een miljoen personen in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) naar Azië. Ongeveer de helft daarvan kwam uit het buitenland. De rest, ongeveer een half miljoen mannen en een paar duizend vrouwen, stamde uit Nederland. Velen van hen zouden hun geboortegrond nooit meer terugzien. Ze stierven onderweg op zee of vestigen zich in Indië, vaak zonder veel sporen achter te laten.

Toen Indië in 1816 een kolonie van Nederland werd, bleef het aantal Europeanen dat daar leefde nog lange tijd bescheiden. De meerderheid van hen werkte in dienst van het gouvernement, als ambtenaar of in het Oost-Indisch leger. Het aandeel Europeanen in een niet-overheidsbetrekking (‘particulieren’) nam pas toe vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw, toen het gouvernement wetten aannam die het particuliere bedrijfsleven ruim baan gaf. Hierdoor vestigden zich veel cultuur- en mijnbouwondernemingen en handelshuizen in Indië, vooral op Java.

De meeste Indische Nederlanders die ten tijde van de Japanse bezetting (1942-1945) in Indië woonden, stammen dus (in mannelijk lijn) af van Europeanen die zich na 1870 in Azië hadden gevestigd. Je hebt geluk als je voorouders kunt traceren die zich eerder in Indië vestigden, tot in de eerste helft van de negentiende eeuw bijvoorbeeld, of nóg een stuk verder, tot de achttiende eeuw, toen de macht nog lag bij de VOC.

Dit dossier richt zich op van oorsprong Europese families, voornamelijk uit Nederland, maar ook de Duitstalige landen en Scandinavië, die zich in de Oost vestigden en relaties aangingen met Aziatische vrouwen.

 

De koloniale orde

Voor we verder gaan eerst een paar opmerkingen over de koloniale staat die Indië was en de scherpe scheidslijnen die de samenleving verdeelde in enerzijds een klein groep bevoorrechte Europeanen en met hen gelijkgestelden, en anderzijds ‘inlanders’ (in het toenmalige spraakgebruik) en ‘vreemde oosterlingen’ (Chinezen, Arabieren, enzovoorts), die de overgrote meerderheid van de bevolking uitmaakten. Waar de eersten onder het Europese recht vielen, stonden de Aziaten onder het gezag van hun ‘inheemse’ hoofden en hadden dus een eigen rechtssysteem.

De vraag wie tot die eerste, bevoorrechte groep behoorde, is minder makkelijk te beantwoorden dan je op het eerste gezicht zou denken. Eenvoudig gezegd was iemand in juridisch opzicht een Europeaan als zijn vader dat ook was en als hij (of zij) uit een wettig huwelijk stamde, dan wel wettelijk was erkend door zijn (haar) natuurlijke vader of een andere Europese man. Dit was een heel grote groep. Verder werden ook de Aziatische echtgenotes van Europese mannen tot de Europeanen gerekend. Dat gold ook voor joden en de uit Afrika afkomstige soldaten van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), de zogenoemde belanda hitam.

In juridisch opzicht bestond er géén onderscheid tussen blanke Europeanen (‘totoks’) en Indo-Europeanen, dat wil zeggen mensen met gemengd Europees-Aziatisch bloed die óók tot de Europese bevolking werden gerekend. In de praktijk waren de kansen van Indo’s op maatschappelijk succes minder groot dan die van de totoks. In de loop van de negentiende eeuw lijkt hun positie bovendien te zijn verzwakt, al waren er genoeg Indische mannen die zich tot goede posities wisten op te werken.

Een mooi voorbeeld was Christiaan George Burgemeestre. Hij leefde van 1812 tot 1895 en zijn beide grootmoeders waren Aziatische vrouwen. Hij trad als ambtenaar in dienst van het gouvernement en bracht het uiteindelijk tot secretaris van de weeskamer te Batavia. In die functie verdiende hij 700 gulden per maand. Ter vergelijking: een assistent-resident en een referendaris moesten het met 100 gulden per maand minder doen.

De juridische ongelijkheid tussen Europeanen en niet-Europeanen zorgde niet alleen voor grote maatschappelijke scheidslijnen, maar heeft ook grote gevolgen voor genealogisch onderzoek. In de burgerlijke stand van Nederlands-Indië die in oktober 1828 werd ingevoerd werden namelijk alleen Europeanen opgenomen. Er bestond dus geen administratie van de geboorten en overlijdens van de Aziatische bevolking.